In This Issue

Jump to Page

1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65 | 66 | 67 | 68 | 69 | 70 | 71 | 72 | 73 | 74 | 75 | 76 | 77 | 78 | 79 | 80 | 81 | 82 | 83 | 84 | 85 | 86 | 87 | 88 | 89 | 90 | 91 | 92 | 93 | 94 | 95 | 96 | 97 | 98 | 99 | 100 | 101 | 102 | 103 | 104 | 105 | 106 | 107 | 108 | 109 | 110 | 111 | 112 | 113 | 114 | 115 | 116 | 117 | 118 | 119 | 120 | 121 | 122 | 123 | 124 | 125

DE ENERGIETOEKOMST VAN DE BRUSSELSE GEBOUWEN: TUSSEN BEWAREN EN PRESTEREN

in de gevelsteen opgenomen. Deze evolutie is eenvoudig herkenbaar aan de kleurovergang van rood (droog, 1-2 vol% vochtgehalte) naar groen (nat, → 10 vol% vochtgehalte). Droging van het metselwerk nadien volgt de omgekeerde beweging. De analyse toont aan dat de gevelsteen vrij snel door en door vochtig wordt, waarna de achterliggende stelmortel het water gretig aan de baksteen onttrekt. Van daaruit dringt vervolgens langzaamaan het vocht dieper in het metselwerk in.

De vergelijking van het metselwerk aan de voor- en achtergevel, toont duidelijk aan dat de voorgevel veel gevoeliger is voor vochtopname: het regenwater dringt dieper in de gevel in en het bereikte vochtgehalte is ook veel hoger. Aan de voorgevel reikt het vocht bijna tot aan het binnenoppervlak, terwijl in baksteenmetselwerk aan de achtergevel uiteindelijk enkel de buitenste twee steenlagen vochtig worden. Wordt de initiële situatie vergeleken met de mogelijke opties voor binnenisolatie, dan scoort de keuze voor een calciumsilicaatplaat met een laagdikte van 12 cm beduidend slechter. De kern in baksteenmetselwerk achter de Euville parementsteen is het gehele jaar door en door vochtig. Ook de isolatieplaat zelf is bijna volledig nat, met uitzondering van de laatste centimeters aan het binnenoppervlak, die in de winterperiode aan de binnenomgeving kunnen drogen. De vochtigheid van de isolatieplaat gaat gepaard met een significant verlies aan isolatiewaarde van de geveldoorsnede. De toestand is nog erger wanneer de invloed van een doorlopende voeg van het buitenoppervlak tot aan de isolerende plaat bekeken wordt. Het vocht dringt snel, diep de gevel in en benat plaatselijk de isolatieplaat dermate dat de voegen zich onvermijdelijk aan het binnenoppervlak van de gevel zouden aftekenen. Zonder bijkomende maatregelen zou een dergelijke oplossing bijgevolg onaanvaardbaar zijn.

De vochtbalans in het gevelmetselwerk aan de achter- en voorgevel na het aanbrengen van een isolerende bepleistering met een laagdikte van 3 cm is daarentegen niet wezenlijk verschillend van de initiële toestand.

De evolutie van het vochtgehalte in de geveldoorsnede moet tevens bekeken worden in combinatie met de temperatuurverdeling, die in het geval van de voorgevel is weergegeven in afbeelding 7. De temperatuurverdeling volgens de drie mogelijke alternatieven, de initiële toestand en de beide opties voor verbetering van de isolatie, zijn op het eerste zicht zeer gelijkend. Enkel de diepte in de gevel tot waar koude temperaturen reiken neemt zichtbaar toe met een toenemende isolatiewaarde. Dit is herkenbaar aan de toenemende mate van de groene en blauwe kleuren in de temperatuurverdeling na het aanbrengen van een binnenisolatie. Zeker voor de optie met een calciumsilicaatplaat met een laagdikte van 12 cm is de toenemende temperatuurdaling over de gehele doorsnede van de gevel herkenbaar.

Voor de evaluatie van het risico op vorstschade aan de voorgevel werden op basis van deze resultaten het aantal vorst-dooicycli aan de buitengevel vergeleken met het aantal maal dat het vochtgehalte in deze zone hoger was dan respectievelijk 30%, 50% en 70% van de verzadigingsgraad van de Euvillesteen (tabel 4). Het kritisch vochtgehalte waarbij schade door vorst aan Euvillesteen zal optreden is evenwel niet gekend, vandaar de arbitraire keuze voor deze vochtgehaltes. De resultaten tonen duidelijk de invloed aan van het aanbrengen van een isolerende calciumsilicaatplaat aan het binnenoppervlak: het aantal cycli waarbij vorst optreedt terwijl de Euvillesteen nat is, neemt enorm toe (+230% bij w → 30% wkr). De situatie bij aanbrengen van een dunne isolerende bepleistering is minder dramatisch. Er valt een lichte toename (+50% bij w → 30% wkr) aan kritieke vorst-dooi cycli waar te nemen.

Toestand Aantal vorst- dooicycli Aantal vorst-dooicycli waarbij het vochtgehalte hoger is dan
30% van wsat 50% van wsat 70% van wsat
Initiële toestand 61 13 4 2
Oplossing A binnenisolatie met calciumsilicaatplaat van 12 cm dikte 67 30 9 6
Oplossing B binnenisolatie met 3 cm isolerende bepleistering 65 19 5 3

Tabel 4

Overzicht van het aantal vorst-dooicycli en het aantal kritieke vorst-dooicycli waarbij het vochtgehalte in het metselwerk aan de voorgevel nabij het buitenoppervlak hoger is dan de opgegeven grenswaarden (© KIK-IRPA).



73